Verjaring van een vonnis. 20 jaar geldig, altijd goed om een vonnis te halen!

Zeker bij incasso’s is een vonnis een bruikbaar middel om druk te zetten bij een schuldenaar. Je kunt er immers van alles mee, (executoriaal) beslag leggen etc.

Vele schuldeisers ‘halen’ geen vonnis, omdat een schuldenaar toch niets heeft (dat denkt men in ieder geval[1]).

Maar wat als de schuldenaar op een gegeven moment weer wat beter financieel bemiddeld is, wat dan?

Een vonnis is 20 jaar geldig, terwijl de meeste vorderingen al na 5 jaar verjaren. Heeft u deze verjaring(en) niet gestuit, dan heeft u (ook op dat latere moment dus) niets. Een vonnis kunt u echter gedurende 20 jaar ten uitvoer leggen.

Of zoals artikel 3:324 lid 1 BW luidt:

De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak, of, indien voor tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn gesteld waarvan de vervulling niet afhankelijk is van de wil van degene die de uitspraak heeft verkregen, na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze vereisten zijn vervuld.”

Let wel

Ingevolge lid 3 van voornoemd artikel geldt:

De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald.”

Betaling van rente valt hier (in beginsel) ook onder, alhoewel het dus wel is opgenomen in het vonnis. Ten aanzien hiervan geldt dus wel dat je op tijd de verjaring moet stuiten. Het ging op dit punt mis in aangehechte uitspraak, goed om daar punctueel in te zijn dus.

Drempel

Belangrijke drempel voor de meesten is de kosten die moeten worden gemaakt om een vonnis te halen. Je kan daar natuurlijk ook een prijsafspraak over maken, zoals ook mijn kantoor vaak doet (blog).

Laat die schuldenaar niet te gemakkelijk gaan en laat de kosten (dus) niet per se een drempel zijn!

M2 Advocaten

 


[1] Altijd nuttig om daar een kort onderzoek naar uit te voeren.

Het retentierecht van de aannemer

Het retentierecht, een effectief middel wanneer je niet wordt betaald of dreigt niet te worden betaald. Een korte uitleg.

Het is inmiddels een bekend gezicht, hekken om een bouwplaats met grote borden met de tekst:
hier oefent …. haar retentierecht uit”. Oftewel, weer een aannemer die niet betaald is.

Wat is het retentierecht eigenlijk?

In het kort gezegd, de bevoegdheid van een schuldeiser om een zaak onder zich te houden, een zaak die toebehoort aan de schuldenaar, zolang de vordering van de schuldeiser niet is voldaan.

Denk niet alleen aan de aannemer die niet is betaald, maar ook aan bijvoorbeeld een verhuurder die nog iets van zijn huurder te vorderen heeft. Ik verhaalde hierover al eerder in een blog.

Vereisten

Wat zijn de vereisten om een rechtgeldig beroep te kunnen doen op het retentierecht? Dat zijn er drie:

(1) er moet (in beginsel) sprake zijn van een opeisbare vordering;

(2) er moet voldoende samenhang zijn tussen de opeisbare vordering en de verplichting van de retentor (lees: de schuldeiser) om de zaak weer in de macht van de schuldenaar te brengen;

(3) de retentor dient de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen.

In de praktijk zie je dat het retentierecht vaak in de aannemerij wordt ingezet als pressiemiddel. Met name in deze tijden dat betalingtermijnen fors worden overschreden zie je dat een aannemer naar alle middelen grijpt om zijn rechten zeker te stellen/betaling te verkrijgen.

Maar soms gaat het mis:

Een juridisch mooi voorbeeld is een uitspraak van de rechtbank Overijssel.

Een aannemer had in opdracht van een bouwbedrijf een fundering aangelegd. De factuur werd maar niet betaald. Omdat de factuur niet werd voldaan had de aannemer besloten zijn retentierecht te gaan uitoefenen ten aanzien van enkele zaken op de bouwplaats door de bouwplaats af te zetten met hekken, met daarop de tekst: “hier oefent …haar retentierecht uit”.

Daarbij maakte de aannemer echter een fout. De aannemer had het werk namelijk reeds aan de opdrachtgever opgeleverd en de bouwplaats verlaten. Pas toen de betaling van de factuur uitbleef kwam de aannemer op het idee om terug naar de bouwplaats te gaan om (alsnog) het retentierecht uit te oefenen.

Waarom is het vertrek van de aannemer relevant?

Zoals ik hiervoor reeds aangaf dient de retentor de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen. Na de oplevering en het vertrek van de bouwplaats was daarmee niet langer aan dit vereiste voldaan. Het ging dus mis ten aanzien van het vereiste als genoemd onder sub 3.

Het oordeel van de rechter

De voorzieningenrechter is er kort over:

Eén van de vereisten om rechtsgeldig retentierecht te kunnen uitoefenen is, dat de retentor de feitelijke macht over de zaak dient uit te oefenen. In het onderhavige geschil is het weliswaar zo, dat [gedaagde] hekken rond de bouwplaats van [P] heeft geplaatst en aan die hekken borden heeft bevestigd waarop werd meegedeeld dat retentierecht wordt uitgeoefend maar dat heeft zij op 10 april 2013 gedaan, maar de bouwplaats was al eerder door haar verlaten.

Ter zitting is immers door de curator gesteld – en met foto’s onderbouwd – dat de bouwplaats al op 28 maart 2013 was opgeleverd, ontruimd en verlaten. (…) Van het uitoefenen van de feitelijke macht over de bouwplaats van [P] was dan ook geen sprake (meer) en [gedaagde] kon vanaf 28 maart 2013 geen rechtsgeldig retentierecht meer uitoefenen.

Dus: geen rechtgeldig beroep op het retentierecht door de aannemer. De aannemer moest de bouwplaats op straffe van een forse dwangsom verlaten. Al met al zeer sneu voor de aannemer.

Zorgplicht

Let op, met het uitoefenen van het retentierecht trek je ook een zorgplicht naar je toe ten aanzien van de zaak waarvoor een beroep op het retentierecht wordt gedaan.

De retentor moet namelijk zorgdragen voor de zaak ‘op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen’.

De kosten die door de retentor worden gemaakt voor het betrachten van de zorg leveren overigens een vordering op jegens de schuldenaar waarvoor het retentierecht ook weer kan worden ingeroepen.

Tip voor de (onder)aannemer en de opdrachtgever:

Houd de vinger aan de pols voor wat betreft de betaling van openstaande facturen zodat je tijdig ziet of het nodig is om je retentierecht uit te oefenen. Na de oplevering ben je in principe te laat.

Is een beroep op het retentierecht te laat, dan zijn er overigens nog genoeg andere mogelijkheden om je recht te halen. Het leggen van beslag ten laste van de opdrachtgever is daar een goed voorbeeld van.

Voor de goede lezer is de tip natuurlijk evengoed van toepassing op de opdrachtgever die een dergelijke kwestie aan de hand heeft of krijgt.

Meer weten over het retentierecht, het leggen van beslag of incasso?

M2 Advocaten

Beslag-en executierecht: Niet volledig informeren van de beslagrechter? Het kan je de kop kosten.

Het beslag-en executierecht een veel gebruikt middel. Het is in Nederland nog steeds relatief eenvoudig om beslag te leggen. Je hebt je wel aan enige formaliteiten te houden, zie onder meer de beslagsyllabus.

Waar je je in ieder geval aan hebt te houden is dat je de rechter volledig en naar waarheid informeert.

Uit artikel 21 Rv volgt dat een partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aanvoert. Doet een partij dat niet, dan kan een rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Het nauwgezet naleven van deze verplichtingen klemt te meer bij het indienen van een verzoekschrift tot beslaglegging. Het leggen van beslag heeft namelijk voor de wederpartij ingrijpende (en voor de beslaglegger vaak nuttige) gevolgen en daarnaast wordt de wederpartij bij een verzoek tot beslaglegging niet gehoord, een zogenaamde beslissing ex parte.

Misleiding van de rechter kan je duur komen te staan, het kan namelijk voldoende zijn om de opheffing van het beslag toe te wijzen. Dan maak je het de wederpartij dus wel heel makkelijk!

Te makkelijk, want een opheffing van een beslag krijg je normaliter niet zomaar (artikel 705 Rv).

Een goed voorbeeld waar de beslaglegger niet volledig was geweest, met de gevolgen van dien, is een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.

De desbetreffende beslaglegger had ervoor gekozen de rechter niet te informeren over reeds doorlopen gerechtelijke procedures – welke procedures relevant waren voor de tussen partijen bestaande rechtsverhouding – en eerdere beslagen.

Het oordeel van de rechter: opheffen van het beslag.

En dat is jammer. Je weet immers dat dergelijke “vergeten” informatie als eerste naar voren wordt gebracht door een (beetje goede) advocaat. De zweem van misleiding is er dan al. En dan sta je 1-0 achter.

Het had echter goed kunnen zijn dat wanneer de rechter wel volledig was geïnformeerd het beslag niet was opgeheven. Mits de beslaglegger een goed verhaal had.

U begrijpt dat het direct na de opheffing snel opnieuw beslagleggen vaak tot niets zal leiden. De “vluchtige zaken”, zoals geld, zijn dan al verdwenen. Als het overigens al snel kan, de tweede keer dient u namelijk wel volledige openheid van zaken te geven en dan is het maar de vraag of u het verlof om beslag te leggen krijgt.

Heeft u overigens een openstaande vordering en wil het maar niet lukken met de incasso? Beslag leggen kan helpen.

M2 Advocaten

Beslag-en executierecht: Lijfsdwang omdat schuldenaar niet over vermogenspositie verklaart.

Voor het wat hardere werk.

Op grond van artikel 585 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover deze een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden.

Dat laatste is in de hierna te behandelen uitspraak het geval. Het ging daar om het verschaffen van informatie over voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen.

Let wel, een rechter geeft niet zomaar een verlof voor het toepassen van lijfsdwang. In artikel 587 Rv is bepaald dat de rechter hiertoe pas over gaat indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (zoals het leggen van beslagen) onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Het betreft dus een laatste middel.

Wat was er aan de hand?

Een partij (hierna: “gedaagde”) is door de rechtbank en ook in hoger beroep veroordeeld tot betaling van ruim € 80.000,- aan zijn schuldeiser (hierna: eiseres). Gedaagde is daarnaast veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom aan eiseres mededeling te doen over zijn vermogenspostitie, oftewel mededeling te doen van al zijn vermogensbestanddelen: alle bankrekeningen, alle roerende-en onroerende zaken en al zijn debiteuren.

Bij het instellen van een dergelijke vordering heeft de schuldeiser een groot belang. In dit soort gevallen wil je als schuldeiser immers “alles” weten, ook om eventueel tot de conclusie te komen dat verder gaan (en daarmee verder kosten maken) geen nut heeft, omdat het ‘een kale kip’ betreft.

Gedaagde betaalt niets en geeft ook geen informatie over zijn vermogen. Eiseres vordert daarom in kort geding veroordeling van gedaagde om die informatie alsnog te geven en – voor zover gedaagde dat niet doet – verlof om gedaagde in gijzeling te doen nemen, hetgeen erop neer komt dat gedaagde in een huis van bewaring wordt opgesloten totdat hij informatie over zijn vermogenspositie geeft.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie, mede gelet op het feit dat gedaagde weigerachtig blijft informatie over zijn vermogenpositie te verstrekken ondanks daartoe te zijn veroordeeld op verbeurte van een dwangsom en gelegde beslagen daarnaast tot niets hebben geleid, dat lijfsdwang het in dit geval aangewezen middel is.

De voorzieningenrechter wijst de vordering – na een belangenafweging waarvoor ik naar de aangehechte kort geding uitspraak verwijs – toe en bepaalt de termijn gedurende welke gedaagde kan worden vastgezet op 30 dagen.

Meer weten over incasso en/of het beslag-en executierecht?

M2 Advocaten

Niet betalen, gewoon de sloten vervangen! Retentierecht van de verhuurder?

Een voorbeeld uit de praktijk (uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).

Een verhuurder verhuurt aan een huurder een winkelruimte. De huurder kampt met financiële problemen en heeft daardoor een grote huurachterstand laten ontstaan.

De huurovereenkomst loopt nog tot en met 1 augustus 2017.

De verhuurder zit ‘met de handen in het haar’, want hij ziet de huurachterstand alleen maar oplopen.

De verhuurder gaat (daarom) akkoord met een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst per 1 januari 2013. Verhuur aan een derde die wel solvabel is heeft immers de voorkeur.

Voordat de huurovereenkomst daadwerkelijk is geëindigd, verandert de verhuurder de sloten en doet een beroep op zijn retentierecht ten aanzien van de nog in het gehuurde aanwezige zaken. Niet veel later legt de verhuurder ook beslag op de in het gehuurde aanwezige zaken.

Op zich een creatieve gedachte, de verhuurder wil immers de huurachterstand ingelost zien en doet pogingen om in ieder geval iets van zekerheid te krijgen.

Kort over het retentierecht

In de wet is opgenomen dat een schuldeiser een retentierecht kan uitoefenen ten aanzien van zaken die hij onder zich heeft/de feitelijke macht over uitoefent (artikel 3:290 BW).

Het retentierecht betekent in het kort gezegd dat een verhuurder zijn verplichting om zaken aan een ander (de huurder) af te geven kan opschorten, totdat de vordering die de verhuurder op de huurder heeft is voldaan.

Met het begrip “zaken” wordt zowel roerende als onroerende zaken bedoeld.

Hierbij geldt overigens dat een retentierecht slechts kan worden uitgeoefend indien de feitelijke macht over de desbetreffende zaak wordt uitgeoefend. Op een zaak die zich onder een derde bevindt en waar de schuldeiser niets mee te maken heeft kan geen rechtsgeldig retentierecht worden uitgeoefend.

Verder met de casus

De huurder stelt zich op het standpunt dat de verhuurder het gehuurde ten onrechte tot zich heeft genomen omdat de huurovereenkomst nog niet was geëindigd en stelt dat hij alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om het gehuurde te betreden zodat de zaken uit het gehuurde kunnen worden opgehaald.

De rechter

Het beroep van de verhuurder op het retentierecht op de zaken faalt.

In artikel 7:231 BW, een bepaling waarvan niet kan worden afgeweken ten nadele van de huurder, is bepaald dat de verhuurder een huurovereenkomst betreffende een gebouwd onroerend goed slechts door tussenkomst van de rechter kan ontbinden. Met het vervangen van de sloten en het ontzeggen van de toegang van de huurder bewerkstelligt de verhuurder naar de mening van de rechter juist waar voornoemd artikel op ziet, namelijk het bewerkstelligen van een einde van het gebruik van het gehuurde zonder rechterlijke tussenkomst. Oftewel, de verhuurder handelt in strijd met artikel 7:231 BW.

Omdat de verhuurder de zaken naar het oordeel van de rechter niet rechtsgeldig onder zich heeft gekregen door lopende de huurovereenkomst de sloten van het gehuurde te verwisselen en de huurder de toegang tot het gehuurde te ontzeggen, kan de verhuurder zich niet op een rechtsgeldig retentierecht beroepen.

De rechter veroordeelt de verhuurder daarom om de zaken aan de huurder af te geven.

Wat had de verhuurder beter kunnen doen?

Bijvoorbeeld: conservatoir beslag leggen op de zaken, de beslagen zaken in (gerechtelijke) bewaring laten nemen en dan pas een beëindigingsregeling met de huurder treffen.

Meer weten over bijvoorbeeld het leggen van beslag, incasso, etc.?

M2 Advocaten