Nieuwe regels voor B&B’s per 2020 in Amsterdam

De laatste jaren heeft Amsterdam een explosieve groei in het aantal bed & breakfasts (B&B’s) doorgemaakt. Omdat er zoveel B&B’s zijn bijgekomen heeft de gemeente Amsterdam besloten om de regels voor B&B’s in 2020 flink aan te scherpen. In deze blog kijken wij naar deze voorgenomen regelwijzigingen voor B&B’s.  

De hieronder opgenomen wijzigingen zijn vooralsnog niet definitief. Toch is het bijzonder aannemelijk dat de meeste van deze regelwijzigingen per 1 januari 2020 zullen worden ingevoerd.  Deze regels zijn een aanvulling op de bestaande regels. De bestaande regels kunt u hier vinden. We sommen de belangrijkste wijzigingen per 1 januari 2020 voor u op, met daarna een toelichting.

  • Voor een B&B is voortaan een vergunning vereist;
  • Per wijk zal een maximaal aantal B&B’s worden bepaald;
  • Alleen eigenaren (dus geen huurders) kunnen vanaf 1 januari 2020 een B&B exploiteren;
  • B&B-houder dient verplicht nachtverblijf te houden tijdens verblijf gasten;
  • De B&B mag nooit worden aangeboden voor vakantieverhuur;
  • Maximaal 61m2 mag worden verhuurd aan gasten (ondanks grootte van de woning);

Toelichting wijzigingen

  • Voor een B&B is voortaan een vergunning vereist

 Toelichting: Eén van de belangrijkste wijzigingen is dat er voortaan voor een B&B een vergunning is vereist. Tot nu toe was het zo dat er slechts sprake was van een meldplicht. Met de vergunningsplicht krijgt de gemeente twee belangrijke instrumenten voor handhaving van de regels. Zo kan het bij de vergunningsaanvraag beoordelen of de B&B aan de voorwaarden voldoet en daarnaast krijgt het de mogelijkheid om een vergunning in te trekken bij een overtreding.

  • Per wijk zal een maximaal aantal B&B’s worden bepaald

 Toelichting: Per wijk worden quota vastgesteld. Indien het aantal aanvragen hoger is dan het wijkquotum zullen de vergunningen worden verstrekt middels loting. De vergunning wordt in principe verstrekt voor een periode van vijf jaar. Dit betekent dus ook dat een vergunninghouder in een populaire wijk het risico loopt zijn vergunning na vijf jaar kwijt te raken.

  • Alleen eigenaren (dus geen huurders) kunnen vanaf 1 januari 2020 een B&B exploiteren

 Toelichting: Tot nu toe was het zo dat ook huurders een B&B konden exploiteren in de door hun gehuurde woning. Dit is vanaf 2020 niet langer toegestaan en huurders zullen dan ook niet in aanmerking komen voor een vergunning. Doelstelling van de gemeente bij deze maatregel is om zogenaamde ‘stromanconstructies’ te voorkomen. In enkele gevallen hadden verhuurders bedacht dat ze een huurder de B&B konden laten runnen die dan een deel van de opbrengsten (of alles) aan de verhuurder moest overmaken. Grootste bezwaar van de gemeente daartegen was dat één verhuurder zodoende feitelijk meerdere B&B’s kon exploiteren. Onduidelijk is nog of de exploitant van de B&B 100% eigenaar moet zijn of dat 50% (of minder) ook voldoende is.

  • Overgangsregeling

Vanzelfsprekend is de voorgaande maatregel voor hurende B&B-houders een hard gelag. Een kleine tegemoetkoming voor deze B&B-houders is dat er een overgangsregeling komt voor een periode van twee jaar. Kortom, deze hurende B&B-houders hoeven hun activiteiten pas per januari 2022 definitief stop te zetten.  Om in aanmerking te komen voor deze overgangsregeling dient de B&B wel vóór 1 januari 2019 te zijn gestart. Dit betekent dat een huurder die bijvoorbeeld in februari 2019 een B&B is begonnen zijn B&B per 1 januari 2020 zal moeten staken.

Deze overgangsregeling is ook van toepassing voor eigenaren die worden uitgeloot voor een vergunning. Is een eigenaar een B&B gestart vóór 1 januari 2019 dan krijgt deze eigenaar twee jaar respijt. Wel zal de eigenaar, in tegenstelling tot de huurder, bij een nieuwe loting (opnieuw) mee kunnen dingen naar een vergunning.

  • De B&B mag nooit worden aangeboden voor vakantieverhuur
  • Het wordt verplicht voor de uitbater om zelf nachtverblijf te houden tijdens verblijf van de gasten

 Toelichting: Voor velen is onduidelijk wat het onderscheid is tussen vakantieverhuur en B&B, niet in de laatste plaats omdat beide vaak worden aangeboden via dezelfde soort websites. Kort gezegd wordt bij vakantieverhuur een woning incidenteel verhuurd in afwezigheid van de eigenaar of huurder van de woning.  Het oorspronkelijke idee achter de term ‘vakantieverhuur’ is dat de eigenaar of huurder zelf ‘met vakantie’ is gedurende de periode waarin de woning wordt verhuurd.  Dit in tegenstelling tot de B&B die in principe het hele jaar door verhuurt waarbij de B&B-houder zelf actief optreedt als gastheer/gastvrouw.

Omdat er voor vakantieverhuur en B&B andere regels gelden heeft de gemeente Amsterdam het onderscheid willen benadrukken door als regel te stellen dat de uitbater van de B&B zelf gedurende de nacht altijd verblijft in de woning. Voorts mag een B&B-vergunninghouder de betreffende woning nooit aanbieden voor vakantieverhuur. Indien de B&B-houder dus bij wijze van zelf op vakantie gaat mag hij de woning niet aanbieden voor vakantieverhuur.

  • Maximaal 61m2 mag worden verhuurd aan de gasten ongeacht de grootte van de woning;

 Toelichting: Tot nu toe was het zo dat B&B-houders maximaal 40% van hun woningoppervlakte aan hun gasten ter beschikking mochten stellen. Deze regel wordt gehandhaafd, maar hierbij komt tevens de aanvullende regel dat ongeacht de grootte van de woning maximaal 61m2 mag worden verhuurd aan gasten. Deze regel heeft mogelijk kostbare gevolgen voor bestaande grotere B&B’s nu dit betekent dat de woning op een andere manier zal moeten worden ingedeeld. Het is vooralsnog onduidelijk of de gemeente bereid is rekening te houden met bestaande grotere B&B’s.

Conclusie

De nieuwe regelgeving voor B&B’s is behoorlijk ingrijpend nu bestaande B&B-houders mogelijk hun B&B vanaf 1 januari 2022 of zelfs per 1 januari 2020 zullen moeten stopzetten. Deze maand (oktober 2019) zal de gemeente naar buiten brengen of de conceptplannen daadwerkelijk feit worden of dat er nog aanpassingen worden doorgevoerd. Ook zal dan meer duidelijk worden rondom de exacte wijze van vergunningverlening. Wij houden u hier op de hoogte van de laatste ontwikkelingen inzake de regelgeving van B&B.

Heeft u zelf een B&B of wilt u er eentje starten, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met M2Advocaten.

Jurist Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

Advocaat Ginio Beij (beij@m2advocaten.nl)

 

Studentenoverlast: Gemeente teruggefloten na vergunning voor dakterras

Onlangs bespraken wij nog een zaak waarin de eigenares van een dakterras succesvol in beroep ging tegen een besluit van de gemeente om het dakterras te verwijderen. In deze blog bespreken we echter een zaak waarin iemand succesvol beroep heeft aangetekend tegen de vergunningverlening door de gemeente voor een dakterras van de buren.

Casus

De eigenaar van een pand verhuurt zijn pand aan studenten. Sinds enige tijd gebruiken de studenten het dak van het pand als dakterras. Volgens het bestemmingsplan van de gemeente is het gebruik van het dak als terras echter niet toegestaan. Na klachten van omwonenden heeft de gemeente aan de eigenaar van het pand laten weten dat er handhavend zal worden opgetreden als het gebruik van het dak als terras wordt voortgezet.

De eigenaar van het pand heeft vervolgens een omgevingsvergunning aangevraagd om zodoende het gebruik te legaliseren. In de aanvraag is de aanleg van een hekwerk op het dak van 185cm hoogte opgenomen. De gemeente besluit de omgevingsvergunning te verlenen ondanks dat een dakterras volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Daarbij is het geplande hekwerk ook hoger dan toegestaan. Een buurman die vanuit de achterzijde van zijn woning uitkijkt op het dakterras, en stelt ernstige geluidsoverlast te ondervinden van de studenten, gaat in beroep bij de rechtbank nadat de gemeente zijn bezwaren eerder ongegrond heeft verklaard.

Strijd met bestemmingsplan

Menigeen is in de veronderstelling dat als een vergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan dat de vergunning in dat geval onterecht is verleend. Deze aanname is vaak onjuist. De gemeente heeft namelijk het recht om af te wijken van het bestemmingsplan, maar dient hierbij wel rekening te houden met de goede ruimtelijke ordening. Kort gezegd betekent dit dat het bevoegd gezag dient te zorgen voor behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De gemeente stelde in dit geval dat omdat het een stedelijke omgeving betreft omwonenden enige geluidsoverlast van elkaar dienen te dulden. Ook het feit dat het dakterras door de plaatsing van het hekwerk is verkleind draagt volgens de gemeente bij aan vermindering van mogelijke overlast. De gemeente stelde ook dat zij bij het verlenen van een vergunning voor een dakterras geen onderscheid wil maken tussen gebruik door een gezin of door studenten, nu er ook hele rustige studenten zijn.

Uitspraak

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente alle betrokken belangen in aanmerking te nemen. De mate van geluidsoverlast is daarbij van belang. Zoals de gemeente aangeeft is het aannemelijk dat de geluidsoverlast is afgenomen door de plaatsing van het hekwerk. Daardoor kunnen immers minder mensen gelijktijdig het dakterras op. Daarmee is echter niet komen vast te staan dat de resterende mate van geluidsoverlast aanvaardbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat de gemeente in haar afweging geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betreffende overlastgevers studenten zijn waarbij de kans op een afwijkend levensritme (nachtelijke uren), en dus overlast, groter is.[1] Volgens de rechtbank had de gemeente hiermee rekening moeten houden bij haar besluit. De rechtbank vernietigt het besluit van de gemeente.

 Conclusie

Ondanks het oordeel van de rechtbank is de omgevingsvergunning voor het dakterras nog niet definitief van tafel. De gemeente zal een nieuw besluit moeten nemen waarbij zij rekening houdt  met het feit dat het dakterras (voornamelijk) door studenten zal worden gebruikt. De gemeente zou hierbij ook voorwaarden kunnen verbinden aan het gebruik van het dakterras door bijvoorbeeld gebruik van het terras na een bepaald tijdstip te verbieden. Voor omwonenden kan het gebrek aan voorwaarden dus ook een middel zijn om het besluit van de gemeente aan te vechten. Hoe dan ook lijkt het er op dat gemeenten bij hun beleid meer rekening zullen moeten houden met de aanwezigheid van studenten bij het in standhouden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Heeft u ook last van bijvoorbeeld geluidsoverlast van buren, of bent u het niet eens met een verleende omgevingsvergunning aan uw buren? In dat geval kunt u vrijblijvend contact opnemen met M2 Advocaten.

Jurist Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

Advocaat Ginio Beij (beij@m2advocaten.nl)

 

[1] Zie ook ECLI:RVS:2018:2276 en ECLI:NL:RVS:2012:BV3229

Dakterras mag blijven ondanks ontbreken vergunning

Een eigenares van een dakterras moest van de gemeente haar dakterras verwijderen op straffe van een dwangsom. Zij stelde echter dat haar bepaalde toezeggingen waren gedaan zodat zij er inmiddels op mocht vertrouwen dat het dakterras mocht blijven. De rechter was het met haar eens en dus werd een succesvol beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. In deze blog bespreken we deze casus en ook nadrukkelijk het vertrouwensbeginsel dat met deze uitspraak definitief een nieuwe invulling lijkt te hebben gekregen.  

Casus

Een eigenares van een dakterras krijgt van de gemeente te horen dat zij haar dakterras spoedig moet verwijderen. De gemeente voert aan dat er nooit een vergunning voor het dakterras is verleend. De eigenares die enkele jaren daarvoor de woning met dakterras van de vorige eigenaar heeft gekocht claimt dat het dakterras zich al 25 jaar zonder problemen op het dak bevindt. Daarbij zou er in die 25 jaar op verschillende momenten contact zijn geweest met ambtenaren van de gemeente waaruit de (vorige) eigenaar heeft kunnen begrijpen dat er niet handhavend zou worden opgetreden wegens het ontbreken van de (omgevings)vergunning. De eigenares zegt dat zij er inmiddels dan ook op mocht vertrouwen dat dit niet meer zou gebeuren. De gemeente gaat hiermee niet akkoord en blijft bij haar standpunt.

Uiteindelijk komt de zaak[1] terecht bij de Raad van State. Deze oordeelt uiteindelijk dat er weliswaar geen reden bestaat voor de eigenares om aan te nemen dat er geen vergunning nodig zou zijn of dat zij een vergunning zou krijgen, maar wél dat zij afgaande op de contactmomenten van de oud-eigenaren met de ambtenaren mocht aannemen dat er niet gehandhaafd zou worden. De Raad van State acht tevens van belang dat de situatie 25 jaar heeft voortgeduurd en dat er in die periode niet is gehandhaafd. Daarbij wegen volgens de Raad van State de belangen van de gemeente bij handhaving vervolgens niet op tegen de belangen van de eigenares. Het dakterras mag derhalve blijven.

Vertrouwensbeginsel

Veel burgers zijn van oordeel dat als hen iets wordt toegezegd door de overheid dat zij hierop  moeten kunnen vertrouwen. Dit wordt in het bestuursrecht ook wel het vertrouwensbeginsel genoemd. Vanuit dat perspectief zal de uitspraak in de bovenstaande casus menig burger dan ook niet verrassen. In de praktijk bleek echter dat het voor burgers lang niet zo eenvoudig was om een succesvol beroep te doen op dit beginsel. Zo was voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel voorheen nodig “dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend[2]. Kort gezegd kwam het er op neer dat door deze strikte interpretatie burgers in de praktijk zelden een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel konden doen.

Gaandeweg lijkt de rechtspraak meer aansluiting hebben willen vinden bij het burgerperspectief.[3] De Raad van State heeft in de besproken casus advies ingewonnen bij staatsraad advocaat-generaal Wattel, wiens advies is opgevolgd en dus leidt tot een nieuwe invulling van het vertrouwensbeginsel.  Deze lijn heeft in de jurisprudentie inmiddels ook navolging gekregen in andere uitspraken.[4] Dit advies houdt kort samengevat in:

  • Er dient meer nadruk te komen op hoe een uitlating of gedraging overkomt op een weldenkende burger en minder op wat het bestuursorgaan daarmee bedoelde;

 

  • Er wordt minder nadruk gelegd op de precieze bevoegdheidsverdeling. Voorheen kon een ambtenaar bepaalde toezeggingen doen, maar als deze uiteindelijk niet beslissingsbevoegd bleek had de burger het nakijken. Dat was met name zuur omdat het voor de meeste burgers vaak niet duidelijk zal zijn wie daadwerkelijk beslissingsbevoegdheid heeft. De burger zal hierbij wel aannemelijk moeten maken dat hij reden had om op deze ambtenaar te vertrouwen. Baliepersoneel dat verantwoordelijk is voor het verstrekken van de algemene informatie zal hier niet onder vallen, maar op toezeggingen van een bouwinspecteur bij een bouwproject dient men doorgaans te kunnen vertrouwen, óók als deze inspecteur geen beslissingsbevoegdheid heeft;

 

  • Als beide voorgaande stappen succesvol zijn doorlopen zal er vervolgens een belangenafweging moeten plaatsvinden. Dit betekent dat als een burger gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een toezegging van een bestuursorgaan er alsnog gekeken zal moeten worden of de belangen van de burger in verhouding staan tot andere belangen zoals bijvoorbeeld het algemeen belang.

Conclusie

Burgers zullen in de toekomst vaker succesvol een beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. De overheid zal zich moeten realiseren dat toezeggingen vaker tot gerechtvaardigd vertrouwen bij burgers kunnen leiden. Toch betekent dit niet dat de burger altijd zijn zin zal krijgen, zelfs niet wanneer hij reden had om daadwerkelijk op de mededelingen van de overheid te vertrouwen. Er zal altijd een belangenafweging moeten plaatsvinden, waarbij andere belangen soms zwaarder wegen dan het belang van de betreffende burger. Wel is in dat geval eventueel een schadevergoeding mogelijk. Gelukkig voor de eigenares van het dakterras was er geen sprake van andere zwaarwegende belangen en mocht het dakterras dus blijven.

Bent u op zoek naar juridisch advies bij geschillen met de overheid? Neemt u dan vrijblijvend contact op met M2 Advocaten.

Jurist Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

Advocaat Ginio Beij (beij@m2advocaten.nl)

 

[1] ECLI:NL:RVS:2019:1694

[2] ECLI:NL:RVS:2015:1016 en ECLI:NL:RVS:2015:1871

[3] Zie bv. ECLI:NL:RVS:2017:1946

[4] ECLI:NL:RVS:2019:1778 en ECLI:NL:RVS:2019:1838

planschade

Planschade: niet per se 2% voor eigen rekening bij directe planschade

Wanneer de gemeente een nieuw bestemmingsplan vaststelt kan het zo zijn dat een eigenaar van een perceel door het nieuwe bestemmingsplan schade oploopt. Het standaarduitgangspunt is dat de eigenaar in dat geval 2% van de schade voor eigen rekening neemt. De Raad van State heeft echter onlangs geoordeeld dat deze veronderstelling niet op gaat in het geval van directe schade.  Deze blog geeft een kort overzicht van het begrip planschade en gaat ten slotte in op de recente uitspraak van de Raad van State.

Wat is planschade?

In het bestemmingsplan van de gemeente staat beschreven wat de mogelijkheden zijn qua bebouwing en het gebruik van de ruimte in de gemeente. Zo wordt bijvoorbeeld geregeld in het bestemmingsplan hoe hoog een gebouw maximaal mag zijn. Indien de gemeente vervolgens een grotere hoogte vaststelt waardoor de bouw van een torenflat mogelijk wordt kan er sprake zijn van verminderd woongenot voor omwonenden. In dat geval is er sprake van planschade. Op grond van artikel 6.1 Wro (Wet ruimtelijke ordening) heeft de eigenaar dan ook mogelijk recht op een schadevergoeding  (Planschade is overigens ook mogelijk bij andere besluiten, zoals bij een verleende omgevingsvergunning).

Directe en indirecte planschade

Er bestaan vervolgens twee vormen van planschade, directe en indirecte planschade. In het geval van directe planschade lijdt de eigenaar schade doordat de mogelijkheden van zijn eigen perceel worden beperkt. In het geval van indirecte schade gaat het om ongunstige ontwikkelingen in de nabijheid van het perceel. Het eerder besproken voorbeeld van een hoge torenflat die zon wegneemt is een vorm van indirecte schade.

Voorwaarden planschade

Als er daadwerkelijk sprake is van schade dient de eigenaar nog wel aan de volgende voorwaarden te voldoen om in aanmerking te komen voor vergoeding van de planschade;

  • De eigenaar mag niet van de bestemmingswijziging hebben geweten of hebben kunnen weten toen hij de woning kocht.
  • De schade is niet al op andere wijze vergoed (bijvoorbeeld door onteigening).
  • Het verzoek tot vergoeding van de planschade moet binnen vijf jaar, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, zijn gedaan.

Wettelijk minimumforfait

Indien er schade wordt vastgesteld bepaalt artikel 6.2. Wro dat ten minste 2% van de schade voor rekening van de eigenaar blijft. Dit heet ook wel het wettelijke minimumforfait en wordt gezien als normaal maatschappelijk risico. Onlangs oordeelde de Raad van State echter dat deze standaard 2% uit de Wro niet van toepassing is in het geval van directe schade.

Uitspraak Raad van State

De kwestie betrof een gemeente die de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden op een bedrijventerrein had  beperkt. De eigenaar van het bedrijventerrein diende vervolgens een verzoek in tot planschade. Immers, zijn terrein was door de beperking aantoonbaar in waarde gedaald. De gemeente bepaalde vervolgens dat 2% van de schade voor rekening van de eigenaar diende te komen op basis van het normaal maatschappelijk risico. Hoewel de rechtbank zich aansloot bij het  besluit van de gemeente oordeelde de Raad van State anders.

Volgens het oordeel van de Raad van State is bij directe schade het wettelijk minimumforfait niet van toepassing. In het geval van directe schade dient te worden beoordeeld of er sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling (bijvoorbeeld milieumaatregelen) en of deze in de lijn der verwachting valt. Uitkomst is dus dat de gemeente goed zal moeten motiveren waarom zij van oordeel is dat een bepaald percentage tot het normale maatschappelijke risico van de eigenaar behoort. Daarentegen kan het ook zo zijn dat een onvoorziene ongebruikelijke maatschappelijke ontwikkeling (men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de plotselinge plaatsing van een voetbalstadion) dus volledig vergoed dient te worden in het geval van directe schade. Derhalve is het als eigenaar altijd verstandig om te onderzoeken of de gemeente voldoende rekening heeft gehouden met de situatie.

Heeft u vragen naar aanleiding van deze blog over planschade? Neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met M2 Advocaten.

Jurist Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

Advocaat Ginio Beij (beij@m2advocaten.nl)

airbnb

GEINFORMEERDE AIRBNB’ER TOCH IN DE FOUT

Ondanks dat de groei van de vakantieverhuur in Amsterdam in 2017 enigszins afnam werd er niettemin afgelopen jaar een recordbedrag van 4,2 miljoen euro aan boetes opgelegd voor woonfraude. Een groot gedeelte van die opgelegde boetes valt toe te dichten aan illegale vakantieverhuur. Niet alleen professionele partijen lopen tegen forse boetes op, maar ook particulieren die hun woning verhuren via bv. AirBnB of Booking.com krijgen aanzienlijke boetes opgelegd. Niet in de laatste plaats zijn dat particulieren die op handige wijze aan alle voorwaarden denken te voldoen en daarom soms balanceren op wat wél en niet is toegestaan. Belangrijk is om een verschil te maken tussen voldoen aan toetsingscriteria en voldoen aan regels.

In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kreeg een particuliere vakantieverhuurder een boete opgelegd van €13.500,- nadat hij zijn appartement had verhuurd aan toeristen. Zijn verweer was dat hij zich keurig aan alle regels had gehouden. Hij had de woning niet meer dan 60 dagen per jaar verhuurd (Vanaf 1 januari 2019 wordt dat 30), aan niet meer dan vier personen tegelijkertijd en zijn gasten hadden geen overlast veroorzaakt. Voor zover niets aan de hand lijkt het dan ook. Maar waarom kreeg deze vakantieverhuurder dan alsnog deze boete opgelegd?

Op de website van de gemeente Amsterdam staat ook de volgende voorwaarde:

“U bent de hoofdbewoner van de woning en woont daar ook (en staat dus ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) van de gemeente Amsterdam).”

Basisregistratie levert slechts rechtsvermoeden op

Kortom in het geval iemand een woning wenst te verhuren aan toeristen dient hij zelf de hoofdbewoner te zijn van de woning en daar ook feitelijk te wonen. De vakantieverhuurder in kwestie dacht zich goed te hebben ingedekt, want hij had zich daadwerkelijk ingeschreven in de basisregistratie op het betreffende adres. Echter levert deze basisregistratie slechts een zogenaamd rechtsvermoeden op. Dat betekent in dit geval dat het vervolgens aan de gemeente is om te bewijzen dat hij toch niet zijn hoofdverblijf in het appartement heeft indien zij daar aan twijfelt.

Eén van de manieren waarop de gemeente controleert of iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in een woning heeft is de aanwezigheid van persoonlijke spullen. Immers, wanneer een woning oogt als een neutrale onpersoonlijke hotelkamer is het minder aannemelijk dat iemand daar normaliter zelf woont. In dit geval werden er op het moment van de controle geen persoonlijke spullen aangetroffen in het appartement. Ook hier dacht de vakantieverhuurder een antwoord op te hebben. Hij bleek nota bene op de dag van het bezoek van de toeristen een video-opname gemaakt te hebben van persoonlijke spullen die hij vervolgens in afsluitbare kasten zou hebben opgeborgen.

Hoofdverblijf niet aannemelijk

Toch vond de rechter het niet aannemelijk dat de vakantieverhuurder daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in de woning had. De vakantieverhuurder bleek namelijk een verdieping hoger over een tweede appartement te beschikken dat hij deelde met zijn partner en kinderen. Bij een bezoek door controleurs aan dit appartement had de vakantieverhuurder zelf de deur geopend en daarbij bleek de aanwezigheid van persoonlijke foto’s in dat appartement sterk de indruk te wekken dat de vakantieverhuurder eerder zijn hoofdverblijf had in het bovenliggende appartement dan in het lege appartement daaronder. De boete jegens de vakantieverhuurder werd dan ook gehandhaafd door de rechter.

Deze vakantieverhuurder was zich waarschijnlijk goed bewust van de verschillende toetsingscriteria die de gemeente hanteert bij het beoordelen of iemand ergens zijn hoofdverblijf heeft, want hij had zich ingeschreven en wist dat de aanwezigheid van persoonlijke spullen van belang kon zijn. Niettemin vergat hij het belangrijkste; hij woonde er niet echt. Kortom, iemand kan er van alles aan doen om het te doen lijken op een toegestane situatie, maar als de feitelijke situatie niet legaal is blijf je als vakantieverhuurder desondanks grote risico’s lopen.

Heeft u andere vragen over vakantieverhuur of heeft u een boete opgelegd gekregen? M2 Advocaten helpt u graag.

Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

Ginio Beij  (beij@m2advocaten.nl)

30 km zone

INVOERING 30-DAGENREGEL VAKANTIEVERHUUR AMSTERDAM

De kogel is door de kerk, het college in Amsterdam heeft besloten de maximale termijn voor vakantieverhuur vanaf 2019 terug te brengen naar 30 dagen in plaats van 60 dagen zoals nu nog is toegestaan. Amstelveen was Amsterdam in dezen al voorgegaan, en heeft aangekondigd de regel dit jaar nog aan te scherpen tot maximaal 30 dagen. Los van het feit dat het politieke draagvlak voor deze regelwijziging flink was gegroeid de laatste tijd, sommige Amsterdamse partijen pleiten zelfs voor een compleet verbod tot vakantieverhuur, voelde wethouder Laurens Ivens (Wonen) zich ook gesterkt door een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Tijd om deze uitspraak tegen het licht te houden.

Oorspronkelijk wilde het Amsterdamse college de verhuurtermijn eind 2016 al inperken tot maximaal 30 dagen per jaar, maar zag toen nog te veel juridische beren op de weg om de maatregel mogelijk te maken. Een uitspraak op 5 december 2017 van de rechtbank Amsterdam zou het college echter voldoende vertrouwen hebben gegeven om de maatregel alsnog door te voeren.

 

De casus

Een gezin verhuurt in de perioden dat zij in het buitenland verblijven hun woning via de bekende website AirBnB aan toeristen. De leden van het gezin staan ingeschreven in het basisregistratiesysteem van Amsterdam. Daarnaast worden bij een controle in de woning, naast meerdere toeristen, ook diverse persoonlijke spullen van het gezin aangetroffen. Er wordt dan ook niet getwijfeld aan het feit dat het gezin daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in de betreffende woning en dat de woning niet systematisch alleen voor vakantieverhuur wordt gebruikt.

Waar het in casu echter misgaat is dat de woning, op het moment dat de controle plaatsvindt, blijkt te zijn verhuurd aan meer dan vier toeristen. Dit terwijl bij vakantieverhuur vier personen het strikt toegestane maximum is volgens de Amsterdamse huisvestingsverordening. Dit vormt dan ook aanleiding voor de oplegging van een forse boete van €13.500,- wegens het zonder vergunning onttrekken van de woning aan de bestemming tot bewoning. Maar is er eigenlijk wel sprake van onttrekking nu het gezin toch voornamelijk zelf in de woning verbleef?

 

Ook woningonttrekking bij incidentele verhuur

Volgens artikel 21 Huisvestingswet is het in beginsel verboden om een woonruimte voor iets anders te gebruiken dan voor wonen. Een woning een andere bestemming dan wonen geven wordt ook wel woningonttrekking genoemd. Een tegenwoordig veelvoorkomend voorbeeld van woningonttrekking is vakantieverhuur. Een vaak gevoerd verweer is dat de woningonttrekking slechts incidenteel heeft plaatsgevonden en daarom niet onder woningonttrekking geschaard zou mogen worden. Ook het gezin in kwestie gaf aan dat ze slechts incidenteel de woning aan toeristen verhuurde.

De Amsterdamse rechtbank neemt dit argument niet over en overweegt daarover het volgende:

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, blijkt dat uit de verhuur van een woning aan en het gebruik van een woning door toeristen volgt dat deze niet beschikbaar is voor bewoning en dus is onttrokken aan de bestemming tot bewoning, ook als het gaat om incidentele verhuur”.

Kortgezegd volgt de Amsterdamse rechtbank twee uitspraken van de Raad van State[1] waaruit valt te herleiden dat:

  1. Verhuur aan toeristen levert op zichzelf woningonttrekking op, nu de woning daarmee op dat moment niet beschikbaar is voor duurzame bewoning;
  2. Het feit dat dit slechts incidenteel gebeurt, of zelfs éénmalig maakt bovenstaande niet anders.

Het mag duidelijk zijn dat de Raad van State hiermee een zeer strikte uitleg van artikel 21 Huisvestingswet hanteert.

 

Ook woningonttrekking bij incidentele verhuur van hoofdverblijf?

Wanneer we echter naar de onderliggende feiten kijken uit de twee uitspraken van de Raad van State valt één duidelijk verschil op met de onderhavige casus van het gezin. In de gevallen bij de Raad van State was er namelijk sprake van een verhuurder die niet daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in de woning had. Dit is in zoverre relevant dat die partijen buiten twijfel voor een bepaalde periode een andere bestemming dan wonen aan de woning hadden gegeven. Zo overweegt de Raad van State in haar uitspraak van 6 september 2017:

“Al deze constateringen wijzen erop dat huurder niet in de woning woonde en dat deze niet beschikbaar was voor bewoning en dus is onttrokken aan de bestemming tot bewoning”.

 De Raad van State lijkt hier mee te wegen dat de (ver)huurder in kwestie de woning ten minste enige tijd zelf niet bewoonde, maar de woning gedurende deze periode louter gebruikte voor vakantieverhuur. Men zou hieruit kunnen concluderen dat zolang degene die de woning aan toeristen verhuurt zelf wél zijn hoofdverblijf in de woning blijft houden dat er geen sprake is van woningonttrekking. In deze zienswijze krijgt een daadwerkelijke woning dus niet wezenlijk een andere bestemming door het (een enkele keer) te verhuren als vakantieverblijf.

De Amsterdamse rechtbank oordeelt echter anders. De eerder genoemde uitspraken doen de rechtbank concluderen dat er op het moment van (kortdurende) vakantieverhuur van een woning altijd sprake is van wijziging van functie van het gebruik en dus van woningonttrekking. Het feit dat de verhuurder zijn hoofdverblijf in de woning houdt maakt dat niet anders:

De rechtbank leidt uit deze uitspraken af dat er – ook in het geval van permanente bewoning – tijdens de perioden dat de woning verhuurd wordt, sprake is van onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Door de verhuur van de woning aan toeristen is immers sprake van een wijziging van de functie van het gebruik. De woning kon gedurende die verhuur aan toeristen niet voor bewoning worden gebruikt”.

De interpretatie van de rechtbank is te volgen nu de Raad van State in haar uitspraken geen ruimte lijkt te bieden voor een vorm van vakantieverhuur van woningen die niet onder woningonttrekking valt. Dit Het feit dat een woning nauwelijks wordt gebruikt als woning is eerder een verzwarende omstandigheid dan dat het feit dat er voornamelijk nog wel duurzaam gewoond wordt een verzachtende omstandigheid betreft.

 

30-dagenregel of verbod?

Terug naar het voornemen van het Amsterdamse college om het aantal toegestane dagen vakantieverhuur te verminderen naar 30. Nu de Amsterdamse rechtbank haar oordeel voornamelijk  baseert op bestaande uitspraken van de Raad van State lijkt de waarde van de uitspraak als novum gering. Het enige extra stapje dat de Amsterdamse rechtbank in dezen lijkt te maken is de conclusie dat óók in het geval de woning normaliter permanent wordt bewoond, er nog steeds sprake is van woononttrekking op het moment dat de woning beschikbaar wordt gemaakt voor (kortdurende) vakantieverhuur.

Kennelijk bestond er in de Amsterdamse gemeente nog onduidelijkheid over de vraag of vakantieverhuur van een woning wel altijd onder artikel 21 van de Huisvestingswet valt, het artikel dat woningonttrekking in beginsel verbiedt. Met deze laatste uitspraak is dat in ieder geval nog duidelijker geworden. De andere vraag die zich vervolgens aandient is dan ook de vraag of daarmee niet de deur is opengezet naar een algeheel verbod van vakantieverhuur van woningen? Immers, als vakantieverhuur van een woning per definitie valt aan te merken als woningonttrekking lijkt het verbod tot woningonttrekking in de Huisvestingswet hiervoor gelegenheid te bieden.

Sommigen zijn van mening dat een compleet verbod van vakantieverhuur te veel inbreuk zou maken op het eigendomsrecht. AirBnB zelf is van mening dat de beperking van 60 tot 30 dagen al te veel inbreuk op het eigendomsrecht. Echter is het de overheid in principe wel toegestaan maatregelen te nemen die een eigenaar beperken in zijn eigendomsrecht. Zij zal daarbij wel moeten aantonen voldoende belang bij te hebben, waarbij ook de belangen van de eigenaar dienen te worden meegewogen. Daarnaast dient de maatregel proportioneel te zijn. Niettemin is denkbaar dat indien de problematiek rondom de vakantieverhuur toeneemt dat de gemeente Amsterdam vervolgens meer aannemelijk belang heeft bij beperking van deze vakantieverhuur.

Gelet op de consensus in de Amsterdamse gemeenteraad (Nagenoeg alle partijen zijn ten minste  voor een beperking tot 30 dagen) over de problematiek rondom de vakantieverhuur lijkt er een reële basis te bestaan voor de aanname dat de vakantieverhuur in Amsterdam problematisch is. Het lijkt daarom ook niet onaannemelijk dat de 30-dagenregel stand zal houden bij de rechter. Dat zeggende lijkt een geheel verbod naar onze mening vooralsnog een stap te ver.

Ginio Beij en Arjan Ang

 

Heeft u nadere vragen over de 30-dagenregel, vakantieverhuur via bijvoorbeeld AirBnB of is u een boete opgelegd? Neemt u dan gerust contact met ons op.

Advocaat Ginio Beij (beij@m2advocaten.nl)

Jurist Arjan Ang (ang@m2advocaten.nl)

 

[1] ABRvS 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3154 en ABRvS 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2407

Speelt de kans op leegstand een rol bij nieuwe bestemmingsplannen?

HUIS-TE-HUUROp 25 mei 2016 heeft de Raad van State zich over deze vraag gebogen in het hoger beroep tegen de plannen van de verbouwing en uitbreiding van een winkelcentrum in Haarlem. In deze zaak hadden appelanten aangevoerd dat de uitbreiding van het winkelcentrum niet zou berusten op goede ruimtelijke ordening. Er zou in dit plan namelijk geen rekening zijn gehouden met de grote hoeveelheid leegstaande vierkante meters winkelruimte door het faillissement van de V&D. Aangezien leegstand een belangrijke factor is om te toetsen of het plan gebaseerd is op een goede ruimtelijke ordening, zou het bijbouwen van extra vierkante meters winkelruimte leiden tot een onaanvaardbare hoeveelheid leegstand in het winkelcentrum, aldus appellanten.

De Raad van State oordeelt dat de gemeente hier geen rekening mee heeft hoeven houden bij het goedkeuren van het plan. Op het moment van het nemen van het besluit, oktober 2015, was de V&D nog niet failliet. Er is besloten op basis van gegevens die op dat moment voor handen waren, en die gegevens waren afdoende. Juridisch gezien voldoet het besluit dus aan de ladder voor duurzame verstedelijking, en is dus niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (Besluit ruimtelijke ordening).[1] In dat artikel staat dat het bestemmingsplan moet voorzien in de actuele regionale behoefte en dat deze met de bestaande voorraad moet worden vergeleken. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er wel of niet extra vierkante meters detailhandel mogen worden bijgebouwd, zodat onaanvaardbare leegstand kan worden vermeden. Op het moment dat de vergunning werd afgegeven was er volgens de gebruikte gegevens behoefte aan meer winkeloppervlak, en was het plan dus gebaseerd op een goede ruimtelijke ordening. De Raad van State liet het bestemmingsplan derhalve in stand. Op zichzelf past deze uitspraak bij het “ex tunc”-uitganspunt, waarbij het besluit wordt beoordeeld op de destijds beschikbare gegevens

Achter de feiten aanlopen?

Maar: Is er nog wel sprake van een goede ruimtelijke ordening als het plan wordt uitgevoerd zoals dat is goedgekeurd in oktober 2015? Door uitvoering van het plan, zullen er namelijk meer vierkante meters winkeloppervlak bij komen, in een winkelcentrum waar de leegstand nu al significant is na de val van de V&D. De huidige leegstand is namelijk 29% van het winkeloppervlak.[2] Als het plan nu ter goedkeuring zou liggen zou het wellicht niet worden aangenomen, omdat het niet zou voldoen aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. Moet er dan niet een middel komen om te voorkomen dat er plannen worden uitgevoerd, gebaseerd op verouderde data, met alle mogelijke negatieve gevolgen.

De V&D was een keten met relatief grote winkels, waardoor de leegstand in een groot aantal winkelcentra significant is verhoogd door het vertrek. Wat namelijk geldt voor meerdere secundaire winkelcentra, en dus niet alleen in het geval van die in Haarlem, is dat er al behoorlijke leegstand is.[3]

Het vertrek van een winkel als de V&D heeft, naast nog meer leegstand, ook invloed op de verkoop in andere winkels van de kleinere winkelcentra. V&D was namelijk een publiekstrekker die belangrijk was voor de andere winkels in datzelfde winkelgebied.[4] Als zo’n trekker wegvalt bestaat dus de kans dat andere winkels ook weg, of failliet gaan, want de klanten komen niet. En dus, nog meer leegstand.

Voor omwonenden is het ook van belang dat ze een vitaal winkelcentrum houden. Ze kunnen er hun inkopen doen, en soms hebben ze er werk. Bovendien: een winkelgebied met leegstand wordt (ervaren als) rommelig en onveilig.[5],[6] En een omgeving die onveilig is, is niet een omgeving waar mensen graag wonen.

Op de lange termijn zullen dit soort ontwikkelingen er toe leiden dat er een revitalisatieproject voor de wijk zal moeten komen,(gefinancierd) vanuit de gemeente. Al met al dus geen tekenen van een goede ruimtelijke ordening, of duurzame verstedelijking. Om deze reden zou het mogelijk moeten worden om aanpassingen aan plannen te verplichten als een gebeurtenis met een dergelijke impact zich voordoet.

Betekent dit dan dat het winkelcentrum in Haarlem gaat mislukken? Echt te voorspellen is het niet, maar dat zou niet hoeven gebeuren. Voor een deel wordt in het plan, zoals in oktober 2015 goedgekeurd, de leegstand opgevangen door flexibel te bestemmen. Tot op heden is dat een beproefde manier, ondersteund door o.a. VNG en Platform 31, om om te gaan met leegstand, en nieuwe leegstand te vermijden. Daarbovenop krijgt het winkelcentrum een nieuwe publiekstrekker erbij, een bioscoop. Hierdoor zullen verschillende groepen mensen naar het winkelcentrum komen, gedurende de hele dag, en is de kans op het negatieve effect van leegstand, verloedering, vrij klein.

Bij andere plannen is dit soort publiekstrekkers er niet (of niet realistisch) en daarom is het van belang een instrument te hebben waarmee wordt voorkomen dat er wordt gebouwd voor leegstand, met de bijkomende negatieve sociaaleconomische gevolgen. De Raad van State zou in dit soort gevallen moeten kunnen toetsen op de huidige situatie in plaats van de situatie ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan.

Alicia Schoo
schoo@m2advocaten.nl

[1] ECLI:NL:RVS:2016:1400, Raad van State, 201508654/1/R6

[2] ECLI:NL:RVS:2016:1400, Raad van State, 201508654/1/R6

[3] V&D winkelgebieden wacht nieuwe impuls, Colliers 02-03-2016

[4] V&D winkelgebieden wacht nieuwe impuls, Colliers 02-03-2016

[5] Winkelgebied van de toekomst, Arjan Raatgever, Hans-Hugo Smit en Joost Nicasie (Platform31)

[6] Carmona, M., 2010. Public places – urban spaces. Oxford (UK), Burlington (USA), Architectural Press.

Bed & Breakfast; Een gespreid bedje?

De florerende toeristenindustrie zorgt er voor dat er in Amsterdam een nijpend tekort is aan (hotel)kamers. Er wordt een nieuw mega hotel gebouwd op de Zuid-As, maar zelfs als dat voltooid is, is het de vraag of er dan genoeg overnachtingsplekken zijn. Vergelijkbare situaties spelen in andere steden en regio’s. Het ene na het andere pension of boetiekhotel wordt geopend, en er wordt goud geld verdient aan het tekort.

Stel, u hebt een kamer of twee over in huis, dus u denkt: “Misschien kan ik een graantje mee pikken, en een kamer aanbieden in een gezelligere sfeer dan zo’n onpersoonlijk hotel. Ik start een Bed & Breakfast.” Waar moet u dan op letten?

Voorwaarden B&B

Het Rijk heeft een aantal voorwaarden, die te vinden zijn op: http://www.ondernemersplein.nl/stappenplan/bed-breakfast-starten/
U wilt het simpel houden. U hoeft dus niet te verbouwen, en wilt ook niet heel veel gasten. Er is uitgezocht hoe het werkt met de hygiënecode, de KvK inschrijving is de deur uit en de website is gereed.

Laat de eerste gasten maar komen! Of niet?

Dat verschilt. Niet alleen moet de B&B passen in het bestemmingsplan, per gemeente kunnen er uiteenlopende extra regels zijn waar u aan moet voldoen.

Voor Amsterdam geldt bijvoorbeeld dat er niet meer dan vier gasten tegelijk mogen overnachten, en het oppervlak dat u gebruikt voor de B&B mag niet meer zijn dan 40% van de gehele woning.
Verder moet u bijhouden wie er overnachten in een register. U hoeft alleen een melding bij uw stadsdeel te doen dat u een B&B start, en dan hoeft u niet te wachten op een antwoord, maar mag u gewoon beginnen.
In Rotterdam zijn er subtiele verschillen in de regels. Zo mag u niet meer dan 30% van de woning als B&B gebruiken, met een maximum van 70m2. Daarentegen hoeft er geen register te worden bijgehouden. Controleer dus altijd bij uw gemeente wat er precies mag en moet.

Mocht u incidenteel (een gedeelte) van uw woning willen verhuren, bijvoorbeeld voor vakantieverhuur, dan gelden daar weer andere regels voor. In de gemeente Amsterdam mag u op dit moment maximaal 60 dagen per jaar verhuren, mits u dit niet bedrijfsmatig doet. U hoeft dan niet ingeschreven te staan in de Kamer van Koophandel. Ook de regel dat het oppervlak dat u hiervoor gebruikt maximaal 40% van uw woning mag zijn, gaat dan niet op. Wel moet u toeristen- en inkomstenbelasting betalen. Verder mag u ook bij vakantieverhuur aan maximaal vier gasten onderdak bieden. Wederom is het dus van groot belang dat u goed uitzoekt wat de huidige regels zijn.

Huurder / VvE

Bent u huurder? Dan moet u toestemming van de eigenaar van uw woning hebben dat u een B&B mag houden in het pand. Ook als u in een appartementencomplex met een VvE woont kan er in het reglement staan dat u eerst toestemming van de VvE moet krijgen voordat u een B&B begint.

Handhaving tegen overlast B&B

Het starten van een B&B kent ook schaduwzijden. De overbuur is een B&B begonnen, en u en de andere buren zijn niet zo blij met de extra drukte die dit veroorzaakt. Meer auto’s in de straat, meer lawaai in de avond. En er lijken wel heel veel mensen tegelijk te overnachten. Is dat wel brandveilig? Is de gemeente niet komen kijken? Meestal geldt voor de laatste vraag het antwoord, nee, de gemeente is in dat opzicht een slapende hond en is (nog) niet komen kijken. Over het algemeen wordt er pas gecontroleerd nadat er klachten zijn binnengekomen van ofwel omwonenden ofwel toeristen. Als u denkt dat het fout zit en er overlast van ervaart, controleer wat de regels zijn en dien dan een klacht in bij uw gemeente. Er staan fikse boetes op het overtreden van de gemeentelijke regels en de meeste gemeentes zijn blij als u helpt om onveilige en ongewenste situaties op te sporen.

Bedenk alleen wel, een goede buur is beter dan een verre vriend. Om de goede verstandhouding met de buren te behouden is het misschien handig eerst de situatie te bespreken met de buur die de B&B heeft voordat u naar de gemeente stapt. Het kan best dat de buur zich niet heeft gerealiseerd dat er overlast en (extra) regels zijn. Zo geeft u de buur de kans de situatie te verbeteren en naar de regels aan te passen zonder hoge boetes te hoeven betalen. Heeft de buur geen boodschap aan uw vriendelijke verzoek en uitleg, of treedt er geen verbetering op? Dan kunt u altijd nog de slapende hond wakker maken.

Boetes voor eigenaren, huurders én verhuurders

Als er niet aan de lokale regelgeving wordt voldaan kan dat onder meer een overtreding van de Huisvestingswet zijn. Het illegaal exploiteren van een B&B is dan onttrekking van de woningvoorraad. In bijvoorbeeld Amsterdam staat daar een boete op van €12.000,- bij de eerste overtreding.
Verder kan een illegaal Bed & Breakfast ook een overtreding zijn van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan en van brandveiligheid.

Let op! Bent u verhuurder? Mocht uw huurder zich niet houden aan de regels die horen bij het runnen van een B&B, ook u bent dan aansprakelijk. De hoge boetes die de gemeente uitdeelt voor een overtreding zullen dus ook aan uw adres worden bezorgd.

Wilt u meer weten? Neem dan gerust vrijblijvend contact op.

Alicia Schoo
schoo@m2advocaten.nl

Relativiteit: Een extra toets om een besluit te kunnen vernietigen

Als men een besluit van een bestuursorgaan (een bouwvergunning, bestemmingsplan etc.) wil aanvechten dienen er een paar drempels te worden genomen. Om te beginnen moet het een besluit zijn waar bezwaar en/of beroep tegen mogelijk is. Er staan bijvoorbeeld geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open tegen een beleidsregel.

Een andere belangrijke drempel is of de partij die het besluit wil aanvechten belanghebbende is bij dit besluit. Volgens art 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een partij belanghebbende als diens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Of iemand belanghebbende is hangt af van het soort besluit. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bebouwen van een perceel, wordt bijvoorbeeld aangenomen dat een eigenaar of bewoner van het naastgelegen perceel per definitie belanghebbende is bij dat besluit.

Relativiteitsvereiste

Sinds 1 januari 2013 is er naast deze drempels een nieuw inhoudelijke toets gekomen. In art. 8:69a Awb is namelijk bepaald dat een rechter een besluit niet vernietigt omdat het in strijd is met een regel, als die regel niet strekt tot bescherming van belangen van degene die zich daarop beroept.

Deze ingewikkeld geformuleerde wetsbepaling komt eigenlijk op het volgende neer: Je kan alleen een beroep doen op een regel om een besluit vernietigd te krijgen, als die regel ook bedoeld is om jouw belangen te beschermen.

Dit vereiste wordt het ‘relativiteitsvereiste’ genoemd. Dit relativiteitsvereiste gold eerst alleen voor de procedures genoemd in de Crisis- en Herstelwet. Het is bedoeld om de procedures in bestuursrecht te versnellen. Het doel is om te voorkomen dat partijen een beroep doen op regels die niet voor hen bedoeld zijn. Sinds 1 januari 2013 geldt dit relativiteitsvereiste voor het gehele bestuursrecht.

Praktijkvoorbeeld

Het relativiteitsvereiste is een inhoudelijke toets. Dit betekent dat een partij wel belanghebbende kan zijn, maar een beroep toch afstuit vanwege de relativiteit.

Om een voorbeeld te geven: Een persoon is eigenaar van een perceel met een woning. Voor het perceel naast de woning wordt een verzoek gedaan om een kartbaan te mogen bouwen. Er wordt een omgevingsvergunning afgegeven voor het bouwen van de kartbaan. Uit onderzoek blijkt dat de eigenaar van de woning ernstige trillingshinder zal ondervinden van de kartbaan. Daarnaast blijkt dat de kartbaan geluidsnormen zal overschrijden, alleen zal de geluidsoverlast slechts gelden voor dat deel van de kartbaan dat niet grenst aan het perceel van de woning.

In dit geval is de eigenaar van de woning wél belanghebbende, omdat de vergunning is afgegeven voor het naastgelegen perceel. De eigenaar kan zich verder erop beroepen dat er te veel trillingshinder zal ontstaan door de kartbaan. Daar heeft hij zelf ook last van. De eigenaar kan zich echter niet beroepen op het feit dat de geluidsnormen zijn overschreden. Aangezien hij daar geen last van heeft, is de betreffende geluidsnorm in dit geval niet bedoeld om zijn belangen te beschermen. Op dat punt is er dus geen relativiteit.

Ook van toepassing op lopende procedures

Het relativiteitsvereiste is direct van toepassing, ook op lopende procedures die al voor 1 januari 2013 waren begonnen. Dit kan betekenen dat een partij die eerst erin was geslaagd om een besluit vernietigd te krijgen, later alsnog het deksel op de neus krijgt. Daarvan is een recent voorbeeld in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2014. In dat geval ging het om het vaststellen van een bestemmingsplan. Ook in dat geval beriep een partij zich op het overschrijden van de geluidsnormen. Aanvankelijk was het bestemmingsplan daarom vernietigd, waarna het bestemmingsplan opnieuw werd vastgesteld. Toen het bestemmingsplan wederom werd aangevochten omdat er nog steeds niet werd voldaan aan de geluidsnormen, toetste de Afdeling aan het relativiteitsvereiste. De Afdeling concludeerde dat de overschrijding van de geluidsnormen geen betrekking had op het perceel van de appellant, zodat er geen relativiteit was en het besluit in stand kon blijven.

Tot slot

Kortom, voor partijen die rechtsmiddelen willen instellen tegen een besluit is het goed om na te gaan of de regel waarop zij zich willen beroepen wel hun belangen beschermt. Voor partijen die een besluit in stand willen houden kan het relativiteitsvereiste een extra verweermiddel zijn tegen een beroep van andere partijen. Alle reden dus voor iedere partij die betrokken is bij een procedure over een besluit om zich te verdiepen in het relativiteitsvereiste.

Kan bouwen volgens het bestemmingsplan toch onrechtmatig zijn?

Voor de meeste bouwwerkzaamheden is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (voorheen: bouwvergunning) nodig. Als de bouwvergunning eenmaal is verkregen kan de bouw gestart worden.

Stel nu dat een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn ingesteld. De buren zijn echter mordicus tegen het bouwwerk. Volgens hen is er sprake van onrechtmatige hinder. Kan er dan toch doorgebouwd worden?

Deze vraag speelde in een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. In dat geval had een bouwbedrijf een omgevingsvergunning gekregen om een opbouw op te trekken bovenop een gebouw. Deel van deze opbouw was een hoge blinde muur op 1.40 meter afstand van het buurperceel. De opbouw zou er voor zorgen dat er een aanzienlijke schaduwwerking zou ontstaan bij het perceel van de buren, naast dat de opbouw erg massaal was. Volgens de buren was er daarom sprake van onrechtmatige hinder.

De rechter overwoog in dit geval dat een vergunninghouder er in het algemeen op mag vertrouwen dat als hij een omgevingsvergunning krijgt, hij daar ook gebruik van mag maken. Een omgevingsvergunning is echter geen vrijbrief om onrechtmatige hinder te veroorzaken tegen over een of meer omwonenden.

In het bestemmingsplan, op grond waarvan een omgevingsvergunning wordt verleend, wordt niet (altijd) de eventuele hinder voor de buren meegenomen. Ook al is er een onherroepelijke omgevingsvergunning, toch moet steeds getoetst worden of het bouwwerk geen onrechtmatige hinder oplevert.

In dit geval vond de rechter dat het bouwwerk dusdanig massaal was dat er sprake was van onrechtmatige hinder. De rechter gaf uiteindelijk een praktische oplossing. Er kon doorgebouwd worden, mits de bouwer een compensatie van € 40.000,- aan de buren betaalde.

Belangrijk om te onthouden is in ieder geval dat ook als er gebouwd wordt volgens het bestemmingsplan dit toch kan betekenen dat er van onrechtmatige hinder sprake is.