Vernietiging vonnis. Executie onrechtmatig?

Executie van een nog niet onherroepelijk en later alsnog vernietigd vonnis levert een onrechtmatige daad op. Dit speelde onlangs in een zaak bij het Hof Den Bosch. Het ging om de volgende casus.

Verhuurder verhuurt een horecapand aan huurder, waarin huurder een café exploiteert. Over de maanden augustus, september en oktober wordt de huur te laat betaald. Verhuurder stelt een procedure bij de Kantonrechter in en vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Ook vordert verhuurder schadevergoeding wegens gederfde huur tot en met de einddatum van de huurovereenkomst. De Kantonrechter wijst de vorderingen toe.

Huurder gaat tegen het vonnis van de Kantonrechter in beroep, maar in de tussentijd gaat verhuurder tot executie van het vonnis over. Het horecapand wordt ontruimd.

In hoger beroep oordeelt het Hof Den Bosch dat de huur weliswaar te laat is betaald, maar dat dit niet aan betalingsonwil maar aan tijdelijke betalingsonmacht heeft gelegen. Daarnaast overweegt het Hof dat de gevolgen van de ontbinding zeer ingrijpend zijn. Huurder heeft het gehuurde moeten ontruimen en zijn onderneming moeten staken. Ook is aan de ontbinding en ontruiming de veroordeling verbonden om de gederfde huur tot en met de einddatum van de huurovereenkomst aan verhuurder te vergoeden. Daarmee wordt een aanzienlijke betalingsverplichting op huurder gelegd, zonder dat daar huurgenot tegenover staat, aldus het Hof.

Het Hof komt dan ook tot het oordeel dat de tekortkoming van de huurder van te geringe betekenis is om ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen. Dit betekent dat de ontbinding en ontruiming – en ook de veroordeling tot betaling van gederfde huur – worden teruggedraaid.

Vervolgens komt de vordering van huurder tot betaling van schadevergoeding aan bod. De huurder heeft in hoger beroep namelijk niet alleen aangevoerd dat de veroordeling tot ontbinding en ontruiming moet worden vernietigd, maar ook dat de verhuurder onrechtmatig gehandeld heeft door het nog niet onherroepelijke vonnis van de Kantonrechter ten uitvoer te leggen.

Het Hof gaat daarin mee. Omdat het vonnis van de Kantonrechter wordt vernietigd, is verhuurder aansprakelijk voor de gevolgen van de tenuitvoerlegging van het vonnis, aldus het Hof. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding worden partijen naar een schadestaat procedure verwezen.

Op zich is deze uitspraak in lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake onrechtmatige executie, maar het toont maar weer eens aan dat voorzichtigheid is geboden. Oftewel: zolang het vonnis niet onherroepelijk is, is het met executie uitkijken geblazen.

Meer weten? Neem gerust contact op.

Marius Rijntjes (rijntjes@m2advocaten.nl)

Verjaring van een vonnis. 20 jaar geldig, altijd goed om een vonnis te halen!

Zeker bij incasso’s is een vonnis een bruikbaar middel om druk te zetten bij een schuldenaar. Je kunt er immers van alles mee, (executoriaal) beslag leggen etc.

Vele schuldeisers ‘halen’ geen vonnis, omdat een schuldenaar toch niets heeft (dat denkt men in ieder geval[1]).

Maar wat als de schuldenaar op een gegeven moment weer wat beter financieel bemiddeld is, wat dan?

Een vonnis is 20 jaar geldig, terwijl de meeste vorderingen al na 5 jaar verjaren. Heeft u deze verjaring(en) niet gestuit, dan heeft u (ook op dat latere moment dus) niets. Een vonnis kunt u echter gedurende 20 jaar ten uitvoer leggen.

Of zoals artikel 3:324 lid 1 BW luidt:

De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak, of, indien voor tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn gesteld waarvan de vervulling niet afhankelijk is van de wil van degene die de uitspraak heeft verkregen, na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze vereisten zijn vervuld.”

Let wel

Ingevolge lid 3 van voornoemd artikel geldt:

De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald.”

Betaling van rente valt hier (in beginsel) ook onder, alhoewel het dus wel is opgenomen in het vonnis. Ten aanzien hiervan geldt dus wel dat je op tijd de verjaring moet stuiten. Het ging op dit punt mis in aangehechte uitspraak, goed om daar punctueel in te zijn dus.

Drempel

Belangrijke drempel voor de meesten is de kosten die moeten worden gemaakt om een vonnis te halen. Je kan daar natuurlijk ook een prijsafspraak over maken, zoals ook mijn kantoor vaak doet (blog).

Laat die schuldenaar niet te gemakkelijk gaan en laat de kosten (dus) niet per se een drempel zijn!

M2 Advocaten

 


[1] Altijd nuttig om daar een kort onderzoek naar uit te voeren.

Een betalingsregeling die wordt nagekomen alsnog eenzijdig (rechtgeldig) beëindigen.

Het kan, maar wanneer? Onder bepaalde omstandigheden.

Uitgangspunt vormt dat een betalingsregeling – zonder herzieningsclausule – niet eenzijdig door de schuldeiser kan worden opgezegd indien en zolang de debiteur/schuldenaar zich aan die regeling houdt.

Maar

Onder omstandigheden kan worden geoordeeld dat van de schuldeiser in redelijkheid niet kan worden verlangd dat deze met de ongewijzigde betalingsregeling genoegen blijft nemen.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de financiële situatie van de schuldenaar zich sinds de totstandkoming van de betalingsregeling aanzienlijk heeft verbeterd.

De vraag of het een schuldeiser is toegestaan om een getroffen betalingsregeling eenzijdig te doorbreken en zelfs beslag te leggen onder de schuldenaar kwam aan de orde in een recente uitspraak van het Hof Amsterdam.

Naar het oordeel van het Hof mocht de schuldeiser in het desbetreffende geval aanpassing van de betalingsregeling verlangen.

Partijen hadden destijds de regeling getroffen dat de schuldenaar EUR 50,- per maand zou aflossen op een schuld van EUR 18.000,-. Op het moment van het treffen van de regeling zat er niet meer in het vat.

Het ging de schuldenaar op een gegeven moment echter financieel een stuk beter. De schuldeiser raakte hiervan op de hoogte en vroeg de schuldenaar dan ook om meer te gaan aflossen. De schuldenaar wilde dat – ondanks aandringen – niet.

Het kwam uiteindelijk tot een uitspraak van het Hof, welke uitspraak overigens is toegespitst op een klacht ten aanzien van de deurwaarders die beslag legden ondanks de betalingsregeling. De uitspraak is echter ook zeer relevant voor de vraag of een betalingsregeling eenzijdig mag worden opgezegd.

Het Hof oordeelde:

“Gezien de hoogte van de overeengekomen afbetalingstermijnen enerzijds en de nog verschuldigde hoofdsom anderzijds, was totale aflossing van de schuld niet binnen afzienbare tijd te verwachten. De financiële positie van klager was voorts aanzienlijk verbeterd. Klager heeft ook niet betwist dat hij tot hogere aflossingen in staat was. Dat betekent dat het de gerechtsdeurwaarders niet te verwijten valt dat zij zich namens de schuldeiser tot klager hebben gewend teneinde aanpassing van de betalingsregeling te bewerkstelligen.”(..) De gerechtsdeurwaarders hebben klager erop gewezen dat de schuldeiser tot het leggen van loonbeslag zou overgaan als er geen nieuwe regeling tot stand zou komen. Die regeling is vervolgens niet tot stand gekomen. Daarom waren de gerechtsdeurwaarders gerechtigd hun medewerking aan dat beslag te verlenen. Ook ter zake van dat beslag valt hun dus niets te verwijten.”

Al met al een zeer bruikbare uitspraak voor de rechts-en incassopraktijk waarin een schuldeiser door de financiële omstandigheden van de schuldenaar genoodzaakt is geweest een bepaalde betalingsregeling te treffen waar de schuldeiser later op wenst terug te komen, zonder te beschikken over een herzieningsclausule.

Tip

Loop de door uw bedrijf getroffen betalingsregelingen nog eens na, alsmede de personen met wie die betalingsregelingen zijn getroffen (incluis dus hun financiële positie).

Bekijk ook eens de andere blogs op het gebied van incasso’s en het beslag-en executierecht, enkele voorbeelden: blog 1 (lijfsdwang), blog 2 (niet informeren beslagrechter), blog 3 (retentierecht).

M2 Advocaten

Het retentierecht van de aannemer

Het retentierecht, een effectief middel wanneer je niet wordt betaald of dreigt niet te worden betaald. Een korte uitleg.

Het is inmiddels een bekend gezicht, hekken om een bouwplaats met grote borden met de tekst:
hier oefent …. haar retentierecht uit”. Oftewel, weer een aannemer die niet betaald is.

Wat is het retentierecht eigenlijk?

In het kort gezegd, de bevoegdheid van een schuldeiser om een zaak onder zich te houden, een zaak die toebehoort aan de schuldenaar, zolang de vordering van de schuldeiser niet is voldaan.

Denk niet alleen aan de aannemer die niet is betaald, maar ook aan bijvoorbeeld een verhuurder die nog iets van zijn huurder te vorderen heeft. Ik verhaalde hierover al eerder in een blog.

Vereisten

Wat zijn de vereisten om een rechtgeldig beroep te kunnen doen op het retentierecht? Dat zijn er drie:

(1) er moet (in beginsel) sprake zijn van een opeisbare vordering;

(2) er moet voldoende samenhang zijn tussen de opeisbare vordering en de verplichting van de retentor (lees: de schuldeiser) om de zaak weer in de macht van de schuldenaar te brengen;

(3) de retentor dient de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen.

In de praktijk zie je dat het retentierecht vaak in de aannemerij wordt ingezet als pressiemiddel. Met name in deze tijden dat betalingtermijnen fors worden overschreden zie je dat een aannemer naar alle middelen grijpt om zijn rechten zeker te stellen/betaling te verkrijgen.

Maar soms gaat het mis:

Een juridisch mooi voorbeeld is een uitspraak van de rechtbank Overijssel.

Een aannemer had in opdracht van een bouwbedrijf een fundering aangelegd. De factuur werd maar niet betaald. Omdat de factuur niet werd voldaan had de aannemer besloten zijn retentierecht te gaan uitoefenen ten aanzien van enkele zaken op de bouwplaats door de bouwplaats af te zetten met hekken, met daarop de tekst: “hier oefent …haar retentierecht uit”.

Daarbij maakte de aannemer echter een fout. De aannemer had het werk namelijk reeds aan de opdrachtgever opgeleverd en de bouwplaats verlaten. Pas toen de betaling van de factuur uitbleef kwam de aannemer op het idee om terug naar de bouwplaats te gaan om (alsnog) het retentierecht uit te oefenen.

Waarom is het vertrek van de aannemer relevant?

Zoals ik hiervoor reeds aangaf dient de retentor de feitelijke macht over de zaak uit te oefenen. Na de oplevering en het vertrek van de bouwplaats was daarmee niet langer aan dit vereiste voldaan. Het ging dus mis ten aanzien van het vereiste als genoemd onder sub 3.

Het oordeel van de rechter

De voorzieningenrechter is er kort over:

Eén van de vereisten om rechtsgeldig retentierecht te kunnen uitoefenen is, dat de retentor de feitelijke macht over de zaak dient uit te oefenen. In het onderhavige geschil is het weliswaar zo, dat [gedaagde] hekken rond de bouwplaats van [P] heeft geplaatst en aan die hekken borden heeft bevestigd waarop werd meegedeeld dat retentierecht wordt uitgeoefend maar dat heeft zij op 10 april 2013 gedaan, maar de bouwplaats was al eerder door haar verlaten.

Ter zitting is immers door de curator gesteld – en met foto’s onderbouwd – dat de bouwplaats al op 28 maart 2013 was opgeleverd, ontruimd en verlaten. (…) Van het uitoefenen van de feitelijke macht over de bouwplaats van [P] was dan ook geen sprake (meer) en [gedaagde] kon vanaf 28 maart 2013 geen rechtsgeldig retentierecht meer uitoefenen.

Dus: geen rechtgeldig beroep op het retentierecht door de aannemer. De aannemer moest de bouwplaats op straffe van een forse dwangsom verlaten. Al met al zeer sneu voor de aannemer.

Zorgplicht

Let op, met het uitoefenen van het retentierecht trek je ook een zorgplicht naar je toe ten aanzien van de zaak waarvoor een beroep op het retentierecht wordt gedaan.

De retentor moet namelijk zorgdragen voor de zaak ‘op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen’.

De kosten die door de retentor worden gemaakt voor het betrachten van de zorg leveren overigens een vordering op jegens de schuldenaar waarvoor het retentierecht ook weer kan worden ingeroepen.

Tip voor de (onder)aannemer en de opdrachtgever:

Houd de vinger aan de pols voor wat betreft de betaling van openstaande facturen zodat je tijdig ziet of het nodig is om je retentierecht uit te oefenen. Na de oplevering ben je in principe te laat.

Is een beroep op het retentierecht te laat, dan zijn er overigens nog genoeg andere mogelijkheden om je recht te halen. Het leggen van beslag ten laste van de opdrachtgever is daar een goed voorbeeld van.

Voor de goede lezer is de tip natuurlijk evengoed van toepassing op de opdrachtgever die een dergelijke kwestie aan de hand heeft of krijgt.

Meer weten over het retentierecht, het leggen van beslag of incasso?

M2 Advocaten

Beslag-en executierecht: Niet volledig informeren van de beslagrechter? Het kan je de kop kosten.

Het beslag-en executierecht een veel gebruikt middel. Het is in Nederland nog steeds relatief eenvoudig om beslag te leggen. Je hebt je wel aan enige formaliteiten te houden, zie onder meer de beslagsyllabus.

Waar je je in ieder geval aan hebt te houden is dat je de rechter volledig en naar waarheid informeert.

Uit artikel 21 Rv volgt dat een partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aanvoert. Doet een partij dat niet, dan kan een rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Het nauwgezet naleven van deze verplichtingen klemt te meer bij het indienen van een verzoekschrift tot beslaglegging. Het leggen van beslag heeft namelijk voor de wederpartij ingrijpende (en voor de beslaglegger vaak nuttige) gevolgen en daarnaast wordt de wederpartij bij een verzoek tot beslaglegging niet gehoord, een zogenaamde beslissing ex parte.

Misleiding van de rechter kan je duur komen te staan, het kan namelijk voldoende zijn om de opheffing van het beslag toe te wijzen. Dan maak je het de wederpartij dus wel heel makkelijk!

Te makkelijk, want een opheffing van een beslag krijg je normaliter niet zomaar (artikel 705 Rv).

Een goed voorbeeld waar de beslaglegger niet volledig was geweest, met de gevolgen van dien, is een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.

De desbetreffende beslaglegger had ervoor gekozen de rechter niet te informeren over reeds doorlopen gerechtelijke procedures – welke procedures relevant waren voor de tussen partijen bestaande rechtsverhouding – en eerdere beslagen.

Het oordeel van de rechter: opheffen van het beslag.

En dat is jammer. Je weet immers dat dergelijke “vergeten” informatie als eerste naar voren wordt gebracht door een (beetje goede) advocaat. De zweem van misleiding is er dan al. En dan sta je 1-0 achter.

Het had echter goed kunnen zijn dat wanneer de rechter wel volledig was geïnformeerd het beslag niet was opgeheven. Mits de beslaglegger een goed verhaal had.

U begrijpt dat het direct na de opheffing snel opnieuw beslagleggen vaak tot niets zal leiden. De “vluchtige zaken”, zoals geld, zijn dan al verdwenen. Als het overigens al snel kan, de tweede keer dient u namelijk wel volledige openheid van zaken te geven en dan is het maar de vraag of u het verlof om beslag te leggen krijgt.

Heeft u overigens een openstaande vordering en wil het maar niet lukken met de incasso? Beslag leggen kan helpen.

M2 Advocaten

Beslag-en executierecht: Lijfsdwang omdat schuldenaar niet over vermogenspositie verklaart.

Voor het wat hardere werk.

Op grond van artikel 585 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen, voor zover deze een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden.

Dat laatste is in de hierna te behandelen uitspraak het geval. Het ging daar om het verschaffen van informatie over voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen.

Let wel, een rechter geeft niet zomaar een verlof voor het toepassen van lijfsdwang. In artikel 587 Rv is bepaald dat de rechter hiertoe pas over gaat indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (zoals het leggen van beslagen) onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Het betreft dus een laatste middel.

Wat was er aan de hand?

Een partij (hierna: “gedaagde”) is door de rechtbank en ook in hoger beroep veroordeeld tot betaling van ruim € 80.000,- aan zijn schuldeiser (hierna: eiseres). Gedaagde is daarnaast veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom aan eiseres mededeling te doen over zijn vermogenspostitie, oftewel mededeling te doen van al zijn vermogensbestanddelen: alle bankrekeningen, alle roerende-en onroerende zaken en al zijn debiteuren.

Bij het instellen van een dergelijke vordering heeft de schuldeiser een groot belang. In dit soort gevallen wil je als schuldeiser immers “alles” weten, ook om eventueel tot de conclusie te komen dat verder gaan (en daarmee verder kosten maken) geen nut heeft, omdat het ‘een kale kip’ betreft.

Gedaagde betaalt niets en geeft ook geen informatie over zijn vermogen. Eiseres vordert daarom in kort geding veroordeling van gedaagde om die informatie alsnog te geven en – voor zover gedaagde dat niet doet – verlof om gedaagde in gijzeling te doen nemen, hetgeen erop neer komt dat gedaagde in een huis van bewaring wordt opgesloten totdat hij informatie over zijn vermogenspositie geeft.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie, mede gelet op het feit dat gedaagde weigerachtig blijft informatie over zijn vermogenpositie te verstrekken ondanks daartoe te zijn veroordeeld op verbeurte van een dwangsom en gelegde beslagen daarnaast tot niets hebben geleid, dat lijfsdwang het in dit geval aangewezen middel is.

De voorzieningenrechter wijst de vordering – na een belangenafweging waarvoor ik naar de aangehechte kort geding uitspraak verwijs – toe en bepaalt de termijn gedurende welke gedaagde kan worden vastgezet op 30 dagen.

Meer weten over incasso en/of het beslag-en executierecht?

M2 Advocaten